Elmer de Gruijl (1976) heeft een obsessie met karakters die zich verlaten voelen in de massa. Veel van zijn figuren lijken op het punt te staan ons een droevige mededeling te doen. Ze kijken ons recht aan, bedremmeld, alsof ze de onbeholpenheid van het bestaan willen delen. Het perspectief is ambigu: een diep mededogen voor het menselijk lijden wordt moeiteloos vermengd met rabiate walging voor de lijdzaamheid waarmee we ons lot ondergaan.
Het werk van De Gruijl noopt tot onderzoek naar wat werkelijk schuilt achter de façade van leven in het nieuwe millennium. Kort geleden zou De Gruijl dit emotion grize genoemd hebben, maar die naam is zelfverklaard verouderd. Toch is de term passend voor de creaturen die zijn verbeelding kwellen. Ze pogen ons de ware natuur van de mens te laten zien; hoe zwak en hulpeloos, -hoe grijs- we jegens onszelf zijn.



































































