Klaas Wiedijk (1953) schildert fijne, uitgebalanceerde stillevens die in techniek en vormgeving aansluiten bij de stilleventraditie van de Gouden Eeuw. Maar in tegenstelling tot wat men wellicht denkt bij het zien van zijn stillevens, namelijk dat het schilderen ervan een rustgevende bezigheid is, vergelijkt de schilder het ontstaan ervan met jagen. Met vluchtige houtskoolstreken wordt de vorm gevangen. Grijze eitempera legt de vage lijnen van de weggepoetste schets vast. Met olieverf jaagt Wiedijk vervolgens op het zwartste zwart, dan op de schaduwen. Wanneer de kleur bepaald is, wordt het wit weg geschilderd. Alleen daar waar het nodig is, blijft de ondergrond zichtbaar. Aanvankelijk neemt hij afstand van het doek maar als het de voltooiing nadert, zit hij er dicht op om alle details exact te kunnen weergeven. Hoe fijn de stillevens ook zijn in techniek en stofuitdrukking, het gaat de schilder niet om een fotografische manier van schilderen. Kleuren worden in harmonie gebracht, contrasten vergroot of verkleind totdat het beeld op het schilderij in evenwicht is. Van het zwoegen en haasten om het uitgestalde stilleven te vangen, is niets meer terug te vinden in het schilderij. Daar heerst stilte en rust. Opleiding: Gerrit Rietveld Academie, Amsterdam; Hogeschool voor de Kunsten Utrecht, Utrecht

































































