Realistisch, naturalistisch en romantisch met een surrealistisch trekje, zo typeert Joop Polder (1930) zijn eigen werk. De stedelijke omgeving van de mens vormt sinds de jaren zeventig het hoofdthema van zijn schilderijen. Het vervreemdende element is de afwezigheid van de inwoners. Trams rijden door lege straten of staan stil op zonovergoten stationnetjes. De grootse gebouwen, de stations en de pleinen zijn verlaten. De recente aanwezigheid van mensen wordt gesuggereerd door stoelen en tafels met daarop boeken, speelgoed of een achtergelaten glas wijn. De veel voorkomende stoel kan worden gezien als het symbool van de schilder die de omgeving zag en is opgestaan om deze vast te leggen. Achter de stadsgezichten is steeds een weidse ruimte van lucht of water zichtbaar. In de voor Joop Polder typerende blauwen worden deze vertes aangeduid. Tegenover de koele blauwen staan de zachte gele en roze tinten van de bebouwde omgeving. Polder volgt in zijn werk een weg los van modieuze ontwikkelingen in de beeldende kunst. Hij verbeeldt zijn gedroomde, visionaire beelden in een stijl die aansluit bij hetgeen hij persoonlijk tot uitdrukking wil brengen. Opleiding: Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten, Den Haag; Academie des Beaux Arts, Parijs
































































